The King's Speech

Koning George VI van het Verenigd Koninkrijk moet zijn spraakgebrek overwinnen om zelfverzekerd zijn plek op de troon te kunnen innemen.

Humberto Tan deelt 'The King's Speech'

Superieure en gelaagde feelgood

door Bor Beekman

Scenarist David Seidler, die als kind stotterde, had al enige tijd plannen voor een drama over de met zijn spraak worstelende koning George VI, en correspondeerde daarover zelfs met diens weduwe, de Queen Mum. Die vond zo'n filmbewerking 'te pijnlijk', en verzocht of een en ander pas ná haar dood op doek verbeeld kon worden. Zo geschiedde.

Het is 1925 aan het begin van The King's Speech. Albert dient een tot de nok toe gevuld Wembley-stadion toe te spreken, maar ziet zijn eerste publieke optreden sterven in gehakkel en pijnlijke stiltes.

Regisseur Tom Hooper (die nu in het voetlicht staat met The Danish Girl-red.) weet de spreekangst al in de eerste minuten meesterlijk in beeld te vatten; de microfoon doemt op als een martelwerktuig. En dan stapt acteur Colin Firth naar voren, die zich de film lang virtuoos toont in het geloofwaardig stotteren, en gevoelens van pijn, trots en miskenning laat wedijveren in de stramme, gereserveerde Albert. Dat zo'n uiterst technische rol bij Firth nooit technisch aanvoelt, tekent zijn talent.

Alberts vrouw Elizabeth (Helena Bonham Carter) brengt hem in contact met de excentrieke Australische spraakcoach, nadat meer orthodoxe en hofwaardige therapeuten faalden. Die man, Lionel Logue (Geoffrey Rush), is in alles een tegenpool van prins Albert, die zich aanvankelijk dan ook met grote tegenzin naar de povere praktijk begeeft. Lionel is titelloos doch bekwaam, volkomen flegmatiek en als hobby-acteur dromend van het grote publiek dat Albert juist zo graag zou mijden. Behandelen wil en kan hij enkel op basis van gelijkwaardigheid: 'Bertie', zegt hij doodleuk tegen de Duke of York, wat Albert pas accepteert wanneer de nood hoger wordt. Broer Edward valt voor een veelgetrouwde burgervrouw, en moet de troon afstaan. Ook is de oorlog inmiddels in aantocht, en daarmee een golf aan speeches.

“ook op papier was The King's Speech al Oscar-materiaal.“

Een film over een man die zijn handicap overwint ten dienste van de natie, terwijl de wereld in brand staat, en waarin overbrugd klassenverschil uitgroeit tot ware vriendschap - ook op papier was The King's Speech al Oscar-materiaal.

Wat Hooper toevoegt is een smetteloze regie en een sublieme cast. The King's Speech zit vol perfect gemanipuleerd sentiment en is gegoten in het stramien van de boksfilm; door middel van training en terugval werken koning en trainer toe naar de grote climax, waarin het geleerde in praktijk moet worden gebracht. Alhoewel Hooper Albert en diens gezin vol warmte en sympathie portretteert, is zijn film niet eenduidig koningsgezind. 'Acteurs zijn we geworden', laat hij Alberts vader - koning George V - met veel dedain zeggen, wanneer die zijn zoon bijschoolt over de nieuwe vormen waarin monarchen zich tot het volk moeten richten; radio, massacommunicatie. Dat is een boodschap die nagalmt in een tijd waarin koningshuizen onderdanen toe-twitteren.

Feelgood, is The King's Speech. Superieure, gelaagde feelgood. En alhoewel Rush als spraaktherapeut verschillende scènes steelt, is het Firth die een waar monument bouwt uit zijn rol. Als koning vol opgekropte woede, en in zelfspot gehulde zelfhaat.

“My castle, my rules."

Lionel Logue (The King's Speech)

Deze films werden ook geselecteerd door Humberto Tan

Carnage

Neon Bull

Dear White People

Hotel Rwanda

La Vita è Bella

After the Storm

Broers